ECGritme.com
 
ECGritme Afwijkingen Ritmen


  Het ECG wordt verkregen op een bewegende rol papier of filmstrook met de uitslagen van een schrijfpen of stift, toebehorend aan een instrument dat de elektrische verschijnselen die de hartwerking begeleiden, optekent. De samentrekkingen van het hart gaan gepaard met veranderingen in de elektrische lading van de hartspiercellen. Deze veranderingen veroorzaken elektrische stroompjes en elektrische spanningsverschillen in het lichaam, welke aan de huid gemeten kunnen worden. De methode om deze spanningsverschillen te meten en vast te leggen wordt elektrocardiografie genoemd.

Aan het begin van iedere normale hartslag ontstaat de elektrische activiteit (ontlading = depolarisatie) in een gedeelte van de rechter boezem: de sinus-auriculaire knoop. Hier vandaan breidt de elektrische activiteit zich ongeveer ééntiende seconde over beide boezems uit. 

De boezems worden van de kamers gescheiden door een bindweefselplaat ( anulus fibrosus) die de voortgang van de elektrische activiteit naar de kamers verhindert. De verbinding tussen de boezems en de kamers wordt gevormd door een zenuwknoop die ligt op de grens van boezems en kamers ( atrio-ventriculaire knoop) en de bundels van Hiss, die uitlopen in de Purkinjevezels. De knoop op de grens van boezems en kamers wordt door de boezemcellen ontladen en vertraagt de elektrische activiteit ongeveer ééntiende seconde. Vervolgens wordt de ontlading zeer snel voortgeleid over de bundel van Hiss en de Purkinjevezels, waarna de spiercellen in de kamers worden ontladen en samentrekken.

Tijdens de rustpauze van het hart (diastole) zijn aan het lichaamsoppervlak geen spanningsverschillen waarneembaar. Het spanningsverschil tussen een elektriciteit-geleidend contactpunt (elektrode) aan de rechterarm en een contactpunt aan het linkerbeen bijvoorbeeld is nul. Tijdens de ontlading van de boezems wordt tussen beide elektroden een spanningsverschil van ca. 0.2 millivolt gemeten. Deze piek in de grafiek wordt de p-top van het elektrocardiogram of kortweg ecg genoemd en duurt ongeveer ééntiende seconde. Als de ontlading wordt voortgeleid door deze atrio-ventriculaire knoop wordt tussen de beide elektroden geen spanningsverschil gemeten.

De ontlading van de kamerspiervezels gaat gepaard met een spanningsverschil tussen beide elektroden dat maximaal 1.5 mV groot is. Dit geheel wordt het QRS-complex genoemd, hetgeen 80 msec duurt. Het Q-deel wordt waargenomen tijdens de ontlading van de scheidingswand tussen de beide kamers. De R-top wordt geregistreerd tijdens de ontlading van de wanden van de linker en rechter kamer en het S-deel tijdens de ontlading van de achterwand van de rechter kamer. Vervolgens blijven de spiercellen van de kamers 50 tot 100 msec.ontladen. in deze periode wordt tussen beide elektroden wederom geen spanningsverschil gemeten. Tijdens het herstel van de lading van de wand van de spiercellen van de kamers ( oplading of repolarisatie) wordt wederom een spanningsverschil gemeten: de T-top welke ca. 200msec. Duurt en 2-5 mV hoog is. De oplading van de cellen van de boezems valt samen met de ontlading van de cellen van de kamers en veroorzaakt geen afzonderlijke toppen in het ECG.

De elektrische activiteit behorende bij één hartslag wordt dus geregistreerd als achtereenvolgens de P-top ( boezemontlading), een QRS-complex (kamerontlading) en een T-top (kameroplading). Bij iedere hartslag, dus ongeveer iedere seconde, herhaalt zich dit.

Het ECG wordt doorgaans geregistreerd op een daarvoor geschikt schrijfapparaat: een elektrocardiograaf. De versterking wordt zodanig afgesteld dat een verticale uitslag van 1 cm op het papier overeenkomt met een spanning van 1 mV. Het papier loopt met een snelheid van 25mm/sec. langs de schrijver. 25 mm op papier komt dus overeen met 1 seconde en 1 mm met 0.04 seconde.

Het patroon dat wordt geregistreerd omvat steeds de p-, QRS- en T- toppen. De onderlinge verhouding van deze toppen is afhankelijk van de volgende factoren:

1 .de elektrische activiteit van het hart van de desbetreffende persoon;
2.de geleiding van de elektrische activiteit door het lichaam;
3.de plaats van de elektroden.

Uitgaande van drie elektroden aan de ledematen, één aan de linkerarm (geel), één aan de rechterarm (rood), één aan het linkerbeen (groen) , en zes elektroden links voor de borst worden in de praktijk twaalf ECG-afleidingen geregistreerd (C1-C6). Het rechterbeen (zwart) wordt eveneens via een elektrode verbonden met de randaarde van de elektrocardiograaf. Op deze wijze kunnen twaalf afleidingen worden gemaakt. Ieder van deze afleidingen heeft bij gezonden een specifiek patroon. Bij bepaalde afwijkingen van het hart worden eveneens specifieke veranderingen gevonden in één of meer van deze twaalf afleidingen, waardoor in vele gevallen de hartaandoening kan worden vastgesteld.